Er is heel wat veranderd de afgelopen periode. Om met een opleiding voor de motor te mogen beginnen dient u 18 jaar of ouder te zijn. Als u nog niet in het bezit bent van rijbewijs B, moet u eerst uw theoriecertificaat cat. A behalen.
Bent u wel in het bezit van een rijbewijs B, dan moet u een geldig theoriecertificaat cat. A kunnen tonen op de dag van uw praktijkexamen.
Qua leeftijden geldt verder het volgende: 18 – 20 jaar: afrijden op een motor met maximaal 25KW vermogen. 21 jaar of ouder: afrijden op een motor met 25KW of meer. Wanneer u afrijdt op een lichte motor dan komt u automatisch in het bezit van een rijbewijs A beperkt. Deze beperking vervalt automatisch na 2 jaar.
Wij stellen hoge eisen aan veiligheid, zoals het gebruik van een goede helm (voorzien van E-keurmerk). Bent u niet in het bezit van een helm, dan kunt u bij ons gebruik maken van een van onze helmen. U dient wel een helmmuts te dragen i.v.m. hygiëne.
Niet alleen een helm is verplicht, maar ook beschermende motorkleding, hoge schoenen of laarzen, motorbroek en jas. De start van de rijopleiding wordt, indien nodig, met privéles(sen) gegeven. Doel van deze lessen is zelfstandig leren rijden.
BORVAS-controlelijst downloaden — handig om thuis nog even door te nemen!
Examen
Het examen voor de motor is in twee delen gesplitst;
Voertuigbeheersing
Tijdens de voertuigbeheersing leert u omgaan met de motor door middel van behendigheidsoefeningen. Het examen omvat 12 verschillende oefeningen. Hiervan moet u er 7 uitvoeren waarvan 5 een voldoende opleveren , in elke cluster 1 voldoende, om te slagen voor dit onderdeel.
Na het slagen voor het deel voertuigbeheersing, (blijft 1 jaar geldig) mag u door naar het onderdeel verkeersdeelname.
Hier kunt u enkele oefeningen bekijken die u kunt verwachten op het examen.
Verkeersdeelname
Tijdens dit onderdeel wordt u getraind hoe u vlot en veilig aan het verkeer kunt deelnemen. Het examen bestaat uit een praktische rit van ongeveer 45 minuten, waarop u getoetst word op het verkeersinzichtelijke deel van het motorrijden.
Oefeningen (AVB)
Bijzondere verrichtingen en het examen voertuigbeheersing
Tijdens het examen voertuigbeheersing kan de examinator kiezen uit 12 oefeningen waarvan de kandidaat er 7 moet uitvoeren.
De 12 oefeningen zijn ingedeeld in 4 clusters en hebben voor de leerling als doel dat hij of zij kan demonstreren dat het voertuig beheerst wordt. Zowel bij hoge als bij lage snelheid. Het goed kunnen remmen is ook een van de aspecten.
Wanneer slaag je?
Als je van de 7 oefeningen er 5 voldoende afrondt, ben je geslaagd. Echter, het is niet toegestaan om 2 oefeningen uit hetzelfde cluster met een onvoldoende af te ronden. Iedere oefening mag je eenmaal herkansen.
Cluster 1
(Lopen met de motor en gebruik van de standaard)
Achteruit parkeren
Bij deze verplichte oefening moet de kandidaat aan de rechterzijde van de rijbaan lopen met de motor aan de hand, deze daarna achteruit parkeren in een parkeervak en op de standaard zetten.
Vervolgens moet de kandidaat de motor weer van de standaard halen en rechts het parkeervak uitlopen.
Cluster 2
(Verrichtingen bij lage snelheid)
Langzame slalom
Een verplicht onderdeel van het tweede cluster is de langzame slalom. De tussenafstand van de pionnen is hierbij 3 meter.
Het gebruik van de achterrem en koppeling is bij deze oefening toegestaan.
Wegrijden uit een parkeervak
Bij deze oefening rijdt de motorrijder vanuit stilstand uit een parkeervak weg waarna hij een haakse bocht maakt en dan enkele meters rechtuit rijdt.
Het parkeervak is 2 meter breed en 3 meter lang, de rijbaan breedte is 3 meter.
Denkbeeldige acht
Met deze oefening laat je de examinator zien dat je een complete (denkbeeldige) acht kunt draaien in een rechthoekig veld.
Je rijdt met een trekkende motor met een gelijkmatige snelheid.
Stapvoets rechtdoor rijden
Het is hier de bedoeling dat je naast examinator rijdt. De examinator loopt en bepaalt het tempo. Er wordt gelet op snelheid, balans en de bediening van de motor.
Halve draai (links- of rechtsom)
Deze oefening laat zien of je in staat bent een halve draai te maken, zonder daarbij je voeten op de grond te zetten.
Cluster 3
(Verrichtingen bij een hogere snelheid)
Uitwijkoefening
Bij deze oefening is het van belang om te demonstreren dat je bij gevaar, snel en veilig kunt handelen.
Snelle slalom
De snelle slalom is een oefening die wordt ingezet met een snelheid van tenminste 30 km/h (tweede versnelling).
Het moet een vloeiend, gelijkmatig gebeuren zijn.
Vertragingsoefening
Bij deze oefening trek je vanuit stilstand op tot een snelheid van tenminste 50 km/h (derde versnelling).
Na het poortje vertraag je tot een snelheid van 30 km/h om vervolgens om drie pylonnen heen te slalommen.
Cluster 4
(Rem-oefeningen)
Noodstop
Hier moet je met een snelheid van 50 km/h aan komen rijden. Na het passeren van het poortje moet je maximaal remmen om zo snel mogelijk tot stilstand te komen.
Precisie-stop
Bij de precisie-stop is het van belang dat je bij een van tevoren bepaald punt tot stilstand kunt komen.
Stopproef
De stopproef is een oefening die valt tussen de noodstop en de precisie-stop.
Het doel is technisch goed remmen.
Tips
Zorg dat je de speciale verrichtingen goed onder de knie hebt. Probeer je te focussen op de dingen die goed zijn gegaan tijdens je lessen. Rijd defensief en kijk ver vooruit. Vergeet niet je knipperlicht en controleer zichtbaar je spiegels. Probeer vlot te rijden zonder te haasten en vermijd putten en witte lijnen op het wegdek.
